Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD5518

Datum uitspraak2001-05-14
Datum gepubliceerd2001-11-15
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsGroningen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/17645
Statusgepubliceerd


Indicatie

SAMENVATTING Bewaring / staandehouding / bevoegdheid toezichthouders. Verbalisanten zijn polshoogte gaan nemen bij een personenauto met een Duits kenteken. De auto stond daar al enkele dagen geparkeerd en er zou regelmatig een man in liggen te slapen. Roemeense eiser is slapend aangetroffen in de auto. Hij bleek niet in het bezit van een visum, maar kon een Roemeens paspoort overhandigen. De rechtbank deelt de opvatting van verbalisanten dat eerst na het vragen naar de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van eiser sprake is van voldoende feiten en omstandigheden, die naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat een man regelmatig zou slapen in een auto met een Duits kenteken die een aantal dagen geparkeerd zou staan is daartoe niet voldoende. Volgens verweerder hebben de verbalisanten hun bevoegdheid om te vragen naar identiteit en verblijfsrechtelijke positie ontleend aan afdeling 5:2 Awb. Deze bevoegdheid kan evenwel slechts worden aangewend door toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 Awb. Artikel 51 Vw 2000 biedt evenmin de bevoegdheid om te vragen naar identiteit en verblijfsrechtelijke positie. De staandehouding is daarmee onrechtmatig. Beroep gegrond.


Uitspraak

$$N UITSPRAAK ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ’s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Vreemdelingenkamer registratienummer: Awb 01/17645 VRONTO UITSPRAAK op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende: A, geboren op [...] 1972, van Roemeense nationaliteit, gemachtigde: mr. H.B. Boogaart, advocaat te Groningen. 1. Ontstaan en loop van het geschil 1.1 Verweerder heeft op 27 april 2001 aan eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring opgelegd nu de openbare orde zulks vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw2000). 1.2 Verweerder heeft op 1 mei 2001 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw2000 in kennis gesteld van het opleggen van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. 1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser doorgestuurd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. 1.4 Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 8 mei 2001. Eiser is verschenen bij zijn raadsman. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen de heer N. van Mourik. 2. Rechtsoverwegingen 2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming is met de wet en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is. 2.2 Op 3 mei 2001 is eiser Nederland uitgezet. Eiser heeft de rechtbank verzocht schadevergoeding toe te kennen. 2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. 2.4 De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt dat de verbalisanten op 27 april 2001 naar aanleiding van diverse klachten van buurtbewoners poolshoogte zijn gaan nemen op de Springerstraat te Rotterdam bij een personenauto met een Duits kenteken, die al enkele dagen daar geparkeerd zou staan en waarin regelmatig een man zou liggen te slapen. De verbalisanten zagen inderdaad een slapende man, eiser, in de aangeduide auto, spraken hem aan en vroegen hem naar zijn identiteitsbewijs. Eiser overhandigde zijn Roemeense paspoort, maar bleek niet in bezit te zijn van een visum. 2.5 De rechtbank stelt voorop dat zij de uit het proces-verbaal af te leiden opvatting van verbalisanten deelt dat eerst na het vragen van de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van eiser sprake is van voldoende feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat een man regelmatig zou slapen in een auto met een Duits kenteken die een aantal dagen geparkeerd zou staan is daartoe niet voldoende. 2.6 Derhalve rijst de vraag waaraan de verbalisanten hun bevoegdheid om te vragen naar identiteit en verblijfsrechtelijke positie ontleenden. 2.7 Ter zitting heeft verweerder betoogd dat verbalisanten hebben gebruik gemaakt van de bevoegdheden uit afdeling 5.2 van de Awb, in het bijzonder de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen. Deze bevoegdheid kan evenwel slechts worden aangewend door toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 Awb. Uit het proces-verbaal blijkt niet op grond van welk wettelijk voorschrift de verbalisanten belast waren met toezicht en op de naleving van welk wettelijk voorschrift het gestelde toezicht betrekking had. Voorzover de verbalisanten meenden op grond van de Wegenverkeerswet 1994 belast te zijn met toezicht overweegt de rechtbank dat dat toezicht, voor zover hier van belang, beperkt is tot bestuurders. Als zodanig kan eiser onder de zich hier voordoende feiten en omstandigheden niet worden aangemerkt. 2.8 Het betoog van verweerder ter zitting met betrekking tot artikel 51 Vw2000 moet reeds hierom falen nu dit artikel, gelet op de tekst daarvan, niet de bevoegdheid biedt om te vragen naar identiteit en verblijfsrechtelijke positie. Daarbij laat de rechtbank nog in het midden of in de onderhavige situatie, waar het voertuig al langere tijd geparkeerd stond en derhalve niet gesproken kan worden van een in het kader van het verrichten van vervoersactiviteiten niet ongebruikelijk oponthoud, sprake is van vervoer in de zin van artikel 51, eerste lid, Vw2000. 2.9 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de verbalisanten niet de bevoegdheid hadden om te vragen naar de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van eiser. De hieruit voortvloeiende informatie kan derhalve geen rol spelen ter adstructie van het redelijk vermoeden in de zin van artikel 50, eerste lid, Vw2000. De staandehouding is daarmee onrechtmatig. 2.10 Gelet op het voorgaande is de bewaring van stonde af aan, dat wil zeggen vanaf 27 april 2001, onrechtmatig. Het beroep dient daarom gegrond te worden. De rechtbank acht termen aanwezig voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding. Hierbij zal een vergoeding worden toegekend van f 200,- voor iedere dag dat eiser in een politiecel heeft doorgebracht. 3. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van f 1.200,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. Aldus gegeven door mr. W.M. van Schuijlenburg en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. H.A. Hulst als griffier op 9 mei 2001. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open (artikel 95, eerste lid, Vw2000). Daartoe dient uiterlijk een week na de uitspraak een beroepschrift te worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Afschrift verzonden:14 mei 2001